Hoe Antidemocraten onze woorden kapen – Door Klaas Dijkhoff

Anderhalve week geleden sprak ik bij de Raad van State op het symposium “De waarde, kracht en kwetsbaarheid van de democratie.” Heel eerlijk, ik sprak vooral over de kwetsbaarheid. Want die springt nu helaas het meest in het oog. Antidemocraten die democratische woorden kapen en haar waarden vertrappen. Populisten die vals beloven dat iedereen zijn of haar zin kan krijgen als je maar hard genoeg schreeuwt, ‘in verzet’ gaat en dingen die je niet aanstaan ‘niet moet pikken’. Om dan achteraf te betreuren dat er bij dat ‘verzet’ en ‘niet pikken’ geweld is gebruikt.

Afgelopen weekend zagen we hooligans en andere kwaadwillenden zich gruwelijk misdragen bij een demonstratie. Luidruchtig, de straten innemend, onverzoenlijk en gewelddadig. Schreeuwend en scanderend. Schoppend en slaand. Gooiend en smijtend.

Vrouwen die hun werk deden in de Haagse horeca moesten op de vlucht voor geweld plegende mannen die beweerden er te zijn om onze straten veilig te houden voor vrouwen. Mensen die aanwezig waren om op een democratisch gepaste manier hun zorgen en mening te uiten, werden overschreeuwd en verjaagd door hen die de voorkeur gaven aan de meest ondemocratische vorm van meningsuiting: geweld.

Politiek is het altijd makkelijker als het uit de hand loopt bij een demonstratie waar je toch al niks mee had. Als er vernielingen zijn aan het Amsterdamse Maagdenhuis bij een pro-Palestina demonstratie komt de eerste verontwaardiging uit een andere hoek dan wanneer er vernielingen zijn aan het partijkantoor van D66. Dat is op zich menselijk, maar voor de democratie hoort het niet uit te maken. De grens ligt bij geweld. Daar houden democratie en vrijheid op. Dat kunnen we niet accepteren. Daar is onze democratie te dierbaar en te kwetsbaar voor.

Lees hieronder de hele speech bij de Raad van State op het symposium “De waarde, kracht en kwetsbaarheid van de democratie.”

“The most important political office is that of private citizen.” Woorden van Louis Brandeis van het Amerikaanse Hoog Gerechtshof begin vorige eeuw. Een tijd waarin we ook nog naar Amerika konden kijken als inspirator voor een gezonde democratische rechtsstaat. Hij was een voorvechter van sociale rechtvaardigheid en arbeidsrechten. Een pionier ook in het denken over privacy. Maar vooral iemand die geloofde dat de democratie alleen kan functioneren als burgers actief deelnemen. Burgers als betrokken deelnemers, geen passieve toechouwers. 

Tien jaar geleden had ik het een mooie quote had gevonden om er vervolgens niet lang meer bij stil te staan. Maar toen ik hem een paar maanden geleden hoorde, kwam hij veel meer binnen. 

Ja, de democratische rechtsstaat, die hebben wij. We vieren hem straks: 

250 jaar. Dan denk je ‘Zo, dat is lang.’ Maar vorige week hielp ik mijn dochter met geschiedenis, groep 5. En het is eigenlijk heel kort, 250 jaar. We begonnen pas vijfduizend jaar geleden met dingen opschrijven. Van de tijd daarvoor weten we alleen maar dingen die we in de grond vinden. 

Onze democratische rechtsstaat is een anomalie in de geschiedenis. Een vreedzame manier van omgaan met macht en conflict. En ook vandaag is het niet de norm in de wereld. 

Maar ik ben, geboren in 1981, toch opgevoed met het idee dat het verzelfsprekend was. Want we hebben de trias politica. De spreiding der machten. Checks en balances die elkaar mooi in evenwicht houden. Niemand heeft de absolute macht. En iemand die macht heeft, heeft altijd verantwoording af te leggen. 

Dat er  safeguards en guardrails zijn, hoorden we ook ter geruststelling toen Trump vorig jaar opnieuw verkozen werd: “Ja, dat is een vervelende man. En schuldige aan nare dingen. Vulgair ook. Maar die rechtsstaat is sterk. Die overleeft dat nog wel een keer vier jaar.”

Maar we hebben gezien dat het niet zo is. De hoge rechter kan een uitspraak doen. En de uitvoerende macht, de president, kan zeggen. “Ja, oké. You and what army? Wie breng je daarvoor mee? Ik doe het gewoon. Ik ga gewoon door met wat ik wil. Ik negeer het vonnis gewoon.” En dan is het weg. 

Dat deed me een beetje denken aan vorige week. Weer groep vijf. De informatie-avond voor ouders op school, waar de juf zei: ‘O ja, nog even over december. Dit is groep vijf. In groep vijf geloven wij in Sinterklaas. Als uw kind niet in Sinterklaas gelooft, vertel dan alstublieft aan uw kind dat we in groep 5 op school nog geloven. Dat duurt niet lang. Want volgend jaar is het groep zes, dan geloven we niet meer in Sinterklaas.’ 

Dus ik weet dat ik nog een jaar heb. En toen bedacht ik me hoe fijn het zou zijn als er nu gewoon zo’n juf onze samenleving inloopt en zegt: “Dit is Nederland. We hebben een democratische rechtsstaat. Daar geloven wij in. En daar houden we ons aan.” 

En zo leek het ook heel lang te werken. Totdat er een paar besloten zich er niet te houden en zich daar ook naar te gedragen. Zo zal het in die klas hopelijk niet gaan. 

Maar het zou precies zo kunnen gaan. Een paar die achterin zeggen: ‘Interesseert me niks juf. Ik ga gewoon de hele dag tegen iedereen zeggen dat het niet bestaat.’ En dat trekt dan heel veel aandacht. Want het is heel luidruchtig. En het verstoort de orde. En langzamerhand gaan al die andere kinderen denken. ‘Ja, dan zal het wel niet zo zijn. Want ik weet eigenlijk niet meer waarom ik er wel in geloofde.’

De kern van de kwetsbaarheid van de democratische rechtsstaat is dat het ook geen absolute waarheid is. Maar een gedeelde overtuiging. En als die wegvalt, dan zijn we in één keer heel kwetsbaar. 

Natuurlijk hebben we altijd tegen onszelf verteld: ‘Het kan niet stuk.’ Dat zeg ik ook in het begin van ieder seizoen op de tribune. ‘We worden kampioen.’ Dat is de afgelopen jaren ook gelukt. Maar dat is geen garantie. 

En dat is waar populisten het terrein op komen. Onze eerste reflex, ook die van mij, is: ‘Ga eens van het veld af. Jullie spelen vals. Kan iemand ze even weghalen?’ Maar dat gebeurt toch niet. 

Ze zijn slim en gewiekst. Want wat ze aanvallen en wat ze kapot maken zijn twee verschillende dingen. Ze vallen natuurlijk niet de democratie aan. Ze vallen niet de rechtsstaat aan. Ze vallen niet jouw rechten aan.

Ze vallen “de elite” aan. Of de “mainstream media”. Het “establishment”. 

Wat ze kapot maken is vertrouwen in expertise. Een gedeelde feitenbasis. En het voorheen breed gedeelde idee dat democratie meer is dan zorgen dat je “de helft plus één” hebt. En dan lekker doorrammen. Ze maken veel geluid. Maar ze zijn eigenlijk klein. Maar als dat wat in omvang groter is stil blijft, dan wordt het luidruchtige vanzelf groter. Want alles wat je aandacht geeft. Dat groeit. 

En als we niet meer met elkaar hardop zeggen dat we het niet normaal vinden. Dan glijden we vanzelf af. Als je met een groep van tien mensen moet beslissen wat je gaat eten. En twee mensen willen naar de McDonald’s. En één iemand wil naar een leuk vegan tentje. En zeven mensen denken ‘kunnen we niet gewoon naar een tent gaan waar voor ieder wat wils is?’. En die zeven houden hun mond. Dan eindig je met z’n negenen bij de McDonald’s. En die één is verstoten. 

Nu horen we ook vaak. ‘Ja maar politieke partijen maken het de populisten ook makkelijk. Want ze lijken allemaal op elkaar, die partijen.’ En dat is deels wel waar. Maar deels is het ook perceptie. Vroeger hoorde ik fundamentele discussies in mijn familie over automerken. (Ja, ik heb gewoon een vrij platte familie). Dan kon iemand gepassioneerd vertellen dat een Peugeot veel beter was dan een Opel. En tussen al die merken zag je echt onderscheid. Toen kwam Tesla met een elektrische auto. Met Netflix erin. En een scheetkussen. En al die andere merken leken ineens op elkaar. 

En dat is in de politiek ook gebeurd. Je hebt disruptie. Dus de rest lijkt in één klap op elkaar. We knipperen met ons ogen en we zien het verschil dat we daarvoor nog wel zagen niet meer. 

Maar deels is het natuurlijk ook een soort technocratisering. De politiek die uit de politiek gehaald wordt. Ik heb me daar zelf vast ook wel eens schuldig aan gemaakt. Dus als iemand straks een scherp voorbeeld heeft: kom maar op. De afgelopen jaren zagen we vaak dat partijen het vermoeiend vinden om uit te leggen waarom ze iets willen en daarom gewoon zeggen dat het niet anders kan. Dat het moet. De ergste vind ik persoonlijk een politiek leider die zegt: ‘We hebben geen keuze.’ Waar vraag je mij dan nog voor om te kiezen dan? Waarom zou ik op jou stemmen als je geen keuze hebt? 

Dan kies ik wel iemand die wel zegt dat er een keuze is. Al was het maar uit recalcitrantie. Omdat ik niet graag wil dat mij verteld wordt wat te doen. Of ben ik daar de enige in? 

De echte scheidslijn zit hem op de democratische waarde. Daarin doen populisten ook iets heel slims. Want ze kapen gewoon alle mooie woorden die wij associëren met democratie. Ze kapen zelfs het woord democratie.
‘Het is niet democratisch als ze mij uitsluiten.’ 
(Het is wel heel democratisch als ik jullie allemaal uitsluit. Maar dat zeg ik er niet bij.)
‘Al die andere partijen die gekozen willen worden. Die weten niet wat het volk wil!’ 

“Het volk”. Alsof dat één wil heeft.

Alsof dat nog niet genoeg was, zag ik in een voetbalstadion ook nog dat ze onze vlag beginnen te kapen. Een symbool waarvoor gestreden is juist om een democratie in ons land te houden en te vestigen. Wordt nu gebruikt door antidemocratische krachten. Eerst hingen ze ‘m nog op z’n kop. Maar nu denken ze ‘Weet je wat? Het is nog sterker als we hem gewoon recht ophouden. En net doen alsof hij alleen van ons is.’

Dus ze gebruiken de taal en de waarde van de democratie en katten ‘m om. Mensen die de democratische rechtsstaat willen verdedigen, krijgen te horen dat ze antidemocratisch zijn. Omdat ze niet luisteren naar “de wil van het volk.”

Maar in democratische waarden zou niet de vraag wat ik of u wil centraal moeten staan. Het is ‘Wat kunnen we samen dragen?’ Afgelopen weekend dreinde mijn dochter: ‘Ik wil! Ik wil!’ En ik riep gefrustreerd terug: ‘Ja, ik wil ook van alles. Maar die dingen gaan we sowieso niet doen dit weekend.’ En daar gaat het om. Inschikkelijkheid. 

Want democratie is ook rekening houden met minderheden. Ja, dat is hier vanzelfsprekend in deze zaal. Maar niet overal. ‘Hoezo rekening houden met X of Y? Wij zijn het volk! We hebben de meerderheid. De rest moet inschikken naar ons! Wij hebben het voor het zeggen!’ 

Ook in Haagse kringen zien we het helaas steeds vaker: ‘Maar ik heb toch de helft plus één? Dan moet ik gewoon doorduwen. Dat is toch democratie? Dan moeten die anderen voor de verkiezingen maar harder werken.’ Zo werkt het dus niet in een democratische rechtsstaat.

Democratische politieke partijen vinden het moeilijk om effectief op te treden tegen antidemocraten. Dat is ook een belangrijke reden voor onszelf, als burgers, om meer te doen. Dat bedoel ik niet om af te geven op de politiek. Het is niet zo dat ik denk dat de politiek het niet kan. Het probleem is alleen als de antidemocraten zich hullen in de mantel van het democratische proces, zij in onze ogen deelnemer worden aan hetzelfde spel als democraten. 

Daardoor zijn de andere, democratische, deelnemers in de ogen van velen verdacht als ze kritiek leveren op de antidemocratische partijen. Want ja, dat is ook een politieke concurrent. Dat is vast een politiek strategietje. Er zit weer iets achter. Het is een beetje alsof spelers op het veld klagen over de tegenstander. ‘Hij moet een gele kaart krijgen! Hij maakt een schwalbe! Dat was een dikke overtreding scheids!’ En wij als burgers zitten dan te wachten op die scheidsrechter of de juf van eerder. Die dan op het fluitje blaast en zegt wie er gelijk heeft. En ondertussen vergeten we dat die scheids noch de juf er is. 

Kijk in al die andere landen waar de democratie afglijdt. In geen van die gevallen kwam hulp van boven of van buiten. Dus als wij het hier voelen afglijden, dan gaat ook niemand ons komen redden. Niet van boven, niet van buiten. En die scheidsrechter? Ergens heel diep verstopt in onze broekzak. Daar zit dat fluitje. Wij zijn zelf de enigen die samen scheidsrechter kunnen zijn. Wij zijn de enigen die kunnen bepalen op welke manier conflicten in de samenleving beslecht kunnen worden. En hoe we om willen gaan met botsende belangen. Dat betekent dat we niet meer alleen toeschouwer kunnen zijn. 

Democratie en politiek zijn geen realityshow. Hoewel dat wel is hoe we het vaak ervaren en hoe we er over praten. Ook ik heb de hele zomer B&B Vol Liefde gekeken. ‘Zien die twee nou echt niet dat dit samen niet gaat werken? Blijf ze daar nou nog steeds? Ga toch weg als je zelfrespect hebt! Stap er dan uit!’ Het zijn precies dezelfde woorden die we gebruiken in onze gesprekken over de coalitie en het kabinet. 

Dit doet ook iets met ons beeld van politiek en democratie. Dan nemen we het minder serieus. Dan zetten we het uit als we er klaar mee zijn en gaan we verder met ons leven. Denken we dat het geen impact heeft. 

Vervolgens zeggen we de hele tijd tegen elkaar dat we het anders willen. Dat we betere en constructievere politici willen. Behalve op de verkiezingsdag. Dan stemmen we in grote getalen toch anders. Om vervolgens te klagen dat het allemaal onwerkbaar is. Tsja, dat hebben we dan wel zelf gedaan. Ergens lijkt het besef dat er een directe link bestaat tussen onze eigen handeling als burger in het stemhokje en wat er dan vervolgens van gebakken wordt door de politiek in Den Haag verloren te gaan. Onze democratische spieren zijn verslapt door een gebrek aan training.

De zwakke democratische spier zegt: ‘Als ik mijn zin niet krijg, dan ga ik muiten. Als ik mijn zin niet krijg, zoek ik een andere partij die zegt wat ik wil horen. En als ik mijn zin niet krijg dan ga ik meteen in bezwaar. Ook al maak ik daar de samenleving zwakker mee.’

De sterke democratische spier zegt: ‘Als de samenleving huizen bij mij in de buurt wil bouwen, dan is dat misschien niet leuk. Maar dan schik ik in als het redelijk is.’ 

Zo redeneert nog altijd de stille milde meerderheid. Daar hebben wij onze actiegroep Voor Ons Nederland voor opgericht. Omdat iets dat in volume groot is, maar in luidruchtigheid laag, het risico loopt weg te kwijnen. Dan denken we van lieverlee met z’n allen: ‘Ik ben zeker de enige die gek is, die denkt dat het niet normaal is. Maar aangezien ik niemand anders iets hoor zeggen, zal het wel aan mij liggen.’

Langzaam ga je daar naartoe. Ons brein is ook heel gevoelig voor keuzearchitectuur. Ik heb nooit begrepen hoe je nou in de jaren dertig ooit kon stemmen op een nationaal-socialist. Dat kun je eigenlijk misschien pas snappen als je dagboeken uit die tijd zelf leest. Als je ziet dat mensen het idee hadden dat er nog maar twee keuzes waren. Twee antidemocratische keuzes. Communist of nationaal-socialist. 

Als dat het gevoel is in de samenleving, dan is het letterlijk kiezen tussen twee kwaden. Tussen twee ondenkbare opties. Maar daar kun je dus een samenleving wel heen sturen. Daar kun je het naar trechteren. Zoiets gebeurt niet toevallig. Zoiets gebeurt als de extreme kanten het hele publieke debat domineren en ons dwingen te kiezen tussen een van hen.

Dus we zullen een megafoon moeten geven aan de gematigde stemmen. Om ook hen gehoor te laten krijgen. Niet alleen de flanken die zo goed weten wat ze niet willen. 

Mocht u denken: ‘Ja maar is die milde meerderheid dan nog wel?’: Ik ben nog niet zo lang uit Den Haag weg dat ik het niet heb laten onderzoeken. Wat blijkt? Er is nog steeds een grote mate van inschikkelijkheid. 90% van die mensen geeft aan: ‘Wat ik het allerbelangrijkste vind, is dat politici iets gaan doen. Iets echt gaan oplossen.’ 80% zegt: ‘Ik verwacht geen uitvoering van verkiezingsprogramma’s. Ik verwacht dat politici met hun programma’s in de hand een compromis gaan sluiten en ons land vooruit helpen.’

De meeste mensen geven aan dat wonen voor punt is waarmee we als land kunnen bewijzen of we nog in staat zijn problemen samen op te lossen. Want een democratie moet wel leveren. Het moet wel werken.

Mensen willen compromissen sluiten. Maar liefst 72% van de mensen geeft aan: ‘Ik snap dat als we een miljoen huizen moeten bouwen ik daar persoonlijk last van kan krijgen. En ik ben bereid in te schikken.’ Dan iets dat misschien niet heel rechtsstatelijk en verstandig is. Maar zelfs 65% zegt: ‘Ik ben zelfs bereid om een paar jaar mijn recht op bezwaar ervoor op te geven. Als er dan maar wel echt een miljoen huizen gebouwd kan worden.’ Ik weet niet of dit de beste oplossing is. Maar het geeft wel iets aan over de inschikkelijkheid die bij de meeste Nederlanders nog altijd ingebakken zit. 

Dit zijn democratische waarden die we moeten beschermen en versterken naast de politieke partijen, die hier hun eigen rol in spelen. Een politieke partij probeert idealen en belangen op inhoud dichterbij te brengen. Anderen, waaronder onze actiegroep VON, houden zich bezig met de manier waarop we botsende belangen kanaliseren. Hoe we dat samenbrengen. Hoe we niet het verschil van inzicht wegpoetsen. De milde meerderheid is niet beige, vanille, of een homogene massa is die à la Sky Radio nooit iets zal zeggen wat je ergert, maar ook nooit iets waar je enthousiast van wordt. Het is een groep die bereid is grote inhoudelijke verschillen op een vreedzame manier samen en uiteindelijk verder te brengen. 

Redeneren vanuit de milde meerderheid betekent niet het ontkennen van vragen over macht en conflict. Maar goed en vreedzaam daarmee omgaan. Niet feilloosheid uitstralen, maar kunnen omgaan met fouten en falen erkennen. Een samenleving van burgers die daarna enige genade kan geven. Zodat een fout niet meteen einde verhaal is. 

Het is ook niet net doen alsof je het met de ander eens bent. Alsof het haalbare compromis eigenlijk veel beter was dan je ooit zelf bedacht had. Maar gewoon uitleggen waarom je er op uitgekomen bent. Dat je in een democratie juist eigenlijk nooit krijgt wat je zelf precies wil. Maar als je je best doet, dat je dan samen misschien wel net krijgt wat je nodig hebt. Rolling Stones fans zullen hier een lied in herkennen. 

Maar het mooiste antwoord in deze richting las ik toen de door mij bewonderde artiest Nick Cave de vraag kreeg waarom hij geen politieke liederen schreef. En hij schreef ‘I wish I could write political songs, there are some great ones out there. It would all be much simpler, more certain, and dependable – get up in the morning, go online, get enraged, turn it into verse, inspire thousands, change the world – but I’m just not that kind of songwriter. I’m not trying to save the world, I’m trying to save the soul of the world.’

Dat geldt ook voor ons. We zijn er niet om een bepaald concreet beleidsresultaat op dit moment te bereiken binnen de democratie. Maar om de ziel van de democratie te behouden en te versterken.

Een denktank voor een sterk Nederland, waar onze kinderen en kleinkinderen het weer beter gaan hebben dan wijzelf.

Heb je vragen, ideeën of wil je bijdragen?
Neem contact met ons op!

Voor Ons Nederland
Zuid Hollandlaan 7
2596 AL Den Haag